De ober bleef staan met zijn bestelblokje in zijn hand. “Ja, wij serveren de volledige kaart, mevrouw.” Ik bestelde een medium-rare ribeye voor mijn zoon Mees, zeven jaar oud, op een aparte…

De ober bleef staan met zijn bestelblokje in zijn hand. "Ja, wij serveren de volledige kaart, mevrouw." Ik bestelde een medium-rare ribeye voor mijn zoon Mees, zeven jaar oud, op een aparte...

De ober bleef staan met het bestelblokje in zijn hand. “Ja, wij serveren de volledige kaart, mevrouw. ”

“Mooi,” zei ik. “Ik wil graag een medium-rare ribeye voor mijn zoon, met aardappelpuree en het grootste chocoladedessert van de kaart.

Thumbnail

Op een aparte rekening. Alleen die van hem en die van mij. ”

De tafel verstomde op die typische manier van mijn familie: stilte als een machine die wacht of er iets gecorrigeerd moet worden. Mijn moeder boog zich naar me toe, haar stem rustig.

“Liefje, je deelt de hoofdrekening tóch met Jeroen? Je vader moet het van zijn pensioen doen. ”

Ik glimlachte naar haar, precies zoals ik altijd deed. Het jubileum van mijn ouders, 40 jaar getrouwd, werd gevierd in restaurant De Eikenhof.

Mijn zus Marit had de tafel bij de open haard gereserveerd en de stemmingsvolle middag stond volledig in het teken van perfectie. Mijn vader vertelde voor de achtste keer hetzelfde verhaal over zijn motor, mijn moeder lachte op het juiste moment mee, en Marit controleerde stiekem of haar man Jeroen zijn nieuwe horloge wel genoeg liet zien. De kinderen aten hun broodjes en kleurden stilletjes op de kinderkaarten. Ik was gewend aan dit tafereel.

Maar dit jaar zat er iets anders. Mees, mijn zoon van zeven, zat naast me met zijn handen op schoot. Hij had honger, dat wist ik, maar hij vroeg niets. Hij keek alleen maar naar de lege plek voor hem, waar straks een bord had moeten staan.

Toen de ober de eerste gang serveerde, zag ik het meteen: er werd niets voor Mees neergezet. En terwijl de biefstuk van mijn neefje Daan – die vijf jaar oud was en voornamelijk friet at – op tafel verscheen, keek ik naar mijn zus. Marit praatte gewoon door tegen mijn moeder over iets op haar werk. Ze had het niet eens door.

Of ze deed alsof. “Eh, Marit,” zei ik zacht. “Is er iets voor Mees besteld? ”

Mijn zus draaide zich om, leek verrast dat ik er nog was.

“Oh, sorry. Voor jullie jongens bestellen is zo lastig, wij dachten: hij kan best wat van de tafel mee-eten. ”

“Van de tafel. ”

“Ja, je weet wel.

Van de bijgerechten. ” Ze gebaarde vaag naar de mand met broodjes die voor haar stond. “Hier, pak een broodje. ”

Niemand aan tafel zei iets.

Mijn vader snoof, mijn moeder pakte haar wijnglas. En terwijl ik naar het broodje keek dat Marit naar me toeschoof, alsof ze een hond trakteerde, voelde ik iets in mijn maag samenknijpen. Ik hoorde mijn moeder zeggen: “Nu, dat is toch gezellig, gewoon gezamenlijk. ” En mijn vader die met een volle mond mompelde: “Had je wat voor hem moeten meebrengen.

”

Ik keek naar Mees. Hij zat daar braaf, met een klein stemmetje dat zei: “Ik heb niet eens honger, mama. ” En zo’n zevenjarige jongen met zijn tikkeltje te grote ogen in zijn smalle gezicht die je blik zoog. Mijn kleine, dappere jongen.

Niemand die hem zag. “Zo doe je geen dingen waar iemand mee zit,” zei ik. De tafel was stil. “Nee, ècht,” zei ik, en ik stond op.

“Dit is toch niet normaal? Drie jaar lang, elke keer dat we hier met elkaar zitten, zit ik te denken: dit is de familie van mijn jeugd. Waarin alles eerlijk gespeeld moest worden, waarin de rekening zo verdeeld werd dat mijn vader nooit tekort zou komen. En kijk nou naar ons.

”

Mijn moeder legde haar hand op mijn arm. “Je maakt een scène. ”

“Ja,” zei ik. “Dat is de bedoeling.

”

Ik pakte mijn portemonnee uit mijn tas. Mijn handen trilden niet, wat me verbaasde. Ik legde vijftig euro op tafel, voor het dessert en de koffie, maakte een rekening inschatting alsof ik thuis een pannenkoekenbak had betaald. Daarna boog ik me naar Mees, die met grote ogen naar mij opkeek.

“Kom op, lieverd,” zei ik, en ik stak hem mijn hand toe. “Wij gaan iets eten. ”

Hij keek eerst naar mij, toen naar zijn tafel, waar niemand hem een blik gunde. Zijn kleine hand gleed in de mijne.

“Veel eten? ” vroeg hij. “Ja,” zei ik. “Zo veel als je wilt.

”

Ik wachtte niet op een reactie. Ik liep naar de kapstok, trok onze jassen eraf en gaf Mees de zijne. Dat wil zeggen: ik gaf hem de zijne, maar mijn bewegingen waren zo kort en afgemeten dat hij het meteen doorhad. We liepen samen naar de deur.

Bij de uitgang keek ik over mijn schouder. Iedereen keek naar ons. Jeroen had z’n mes neergelegd, alsof hij overwoog te klappen. Marit had haar mond opengevallen.

Mijn vader staarde naar zijn eigen bord. En mijn moeder, die mij echt nèt iets te lang aankeek alsof ze ergens diep vanonder zand iets over haar eigen leven op wilde rakelen. Mees en ik liepen de zaak uit, de kou in. De parkeerplaats lag er verlaten bij.

Ik merkte hoe ik stond te trillen op mijn benen. “Mama? ”

“Ja, schat? ”

“Was ik nou stout?

”

Ik bleef staan en knielde voor hem neer. “Waarom vraag je dat? ”

“Omdat oma zei dat grootmensen boos worden als je stout bent en dat je daarom je tong moet aflakken. ”

Mijn hart brak bijna.

Ik pakte zijn gezichtje tussen mijn handen. “Jij bent nooit stout, oké? Nooit. ”

Hij knikte, niet overtuigd: “Wat gaan we nu doen?

”

“Heb je trek in patat? ”

Zijn oogjes gingen wijd open. “Echt? ”

“Ja.

En een milkshake. ”

“Met slagroom? ”

“Met slagroom én een kers. ”

Hij juichte.

En dat was het moment dat ik me voor het eerst in mij herinner sinds de afgelopen jaren iets hoorde: mijn eigen lach. Even namen de teleurstelling en de woede de overhand, en ik moest slikken terwijl ik de auto van het slot haalde en hem in de autostoel klemde. Ik moest denken aan al die middagen, al die familie-etentjes van de afgelopen jaren. Want ik was niet altijd dit mens geweest dat ruzie maakte over een biefstuk van een kind.

Ik was sopie die het beste met iedereen voorhad, die haar vaders hartaanval opving en haar moeders huilen sussen, die de brokstukken van haar familie opruimde terwijl niemand haar ooit vroeg of zij ook wilde zitten. En dat was juist het probleem. Want toen ik thuiskwam van dat jubileum, vastberaden om nooit meer een voet te zetten in de wereld van mijn familie, gebeurde er iets anders. Ik ging zitten.

Ik maakte een pot koffie. En ik begon mijn eigen boeken op orde te zetten. Stap voor stap. Het gekke was: ik had nog nooit een complete boekhouding van ons gezin gehad.

Jeroen en ik hadden samen een zakelijke rekening waar de vaste lasten vanaf gingen, en een huis dat veel te duur was. Ik had altijd gedacht dat hij het allemaal regelde. Pas twee weken na het jubileum, toen ik in de kreukels zat van de financiën en ik zijn computer wilde gebruiken om een rekening te printen, zag ik het. Een map op het bureaublad.

Hij heette simpelweg ‘ALG’. In die map zat nog een map. En nog een. Tot ik uitkwam op een Excel-document uit 2017.

Wat erin stond, had me bijna omvergeblazen. Eén zin, één cijfer en de wereld werd anders. ‘Extra aflossing hypotheek. €40.

000,’ stond er. Van de raadsheer. Zonder overleg met mij. Ik was door mijn hoezen gegaan en mijn ogen vielen gewoon uit.

Maar het echte gif zat anderhalve regel verder. Een afschrift van drie jaar geleden: ‘Lening aan W. de Vries, oom. ‘ Zonder enige uitleg.

Mijn oom, die ‘toevallig’ vlak daarna een nieuwe vakantiebestemming had met een caravan van ruim €30. 000. Mijn eigen man had mijn spaargeld naar zijn familie laten stromen zonder er één woord over te zeggen. En die familie?

Die wist er alles van. Want toen ik het ter sprake bracht, een week later, had Jeroen me vol ongeloof aangekeken. “Ga je dit echt moeilijk maken om een paar cent? ”

“Vijftig, Jeroen.

Vijftig duizend euro, geen cent. ”

“Je overdrijft. ”

“Jij noemt het een lening van je oom. Je oom, die jou nooit niet één keer een verjaardagskaart hoeft te sturen want die is te goed om op je vaders te komen.

”

“Je reageert niet helder. ”

Zo ging dat gesprek. En zo eindigde het ook. Want het was nooit háár geld of háár man of háár familie.

Het werd altijd weggewuifd met mijn ’emoties’. Maar eindelijk, mijn lieve vriendin, zag ik het. Ik zag het helder. De week na het etentje bleef ik maar denken aan dat broodmandje.

En over dieens van mijn familie: de enorme rekeningen die ze altijd inslikten. De verjaardagsdiners waarvan zogenaamd mijn vader trakteerde maar mijn moeder de kaart stiekem naar ons doorschoof als het om ‘onze kosten’ ging. En nooit iemand die het zag. Nooit iemand die zich daartegen verzette.

Ik had het altijd geweten. Ik was alleen te moe om het te benoemen. En toen kwam de maandagavond waarop ik de laatste kans kreeg. Ik werd gebeld door een incassobureau.

De stem aan de lijn: ‘Wij bellen namens Autofinanciering Meander aan de heer Jeroen de Boer. ‘

“Sorry, namens wie? ”

‘De heer De Boer heeft een achterstand in zijn termijnen met de financiering van de SUV. ‘

Ik voelde mijn knieën een klein beetje wijken en ging zitten op de bank.

“Er moet een vergissing zijn. De auto is afbetaald. ”

‘Nee, mevrouw. Vanaf het laatste jaar zijn er zes betalingen niet aangekomen.

We hebben al tweemaal een herinnering naar uw adres gestuurd, Iemand heeft ervoor getekend. ‘

Ik zag weer voor me hoe Jeroen vorige maand zelf de post eruit viste. Hoe hij zei dat het studiefonds van zijn moeder overliep en hij ‘zoiezo wat ‘online dingetjes’ aan moest passen. “Ik snap er niets van,” zei ik.

“Ik heb alle afschriften. ”

Uiteindelijk, toen ik de computer in de gaten hield en alle mappen langsliep, vond ik het. Een stoffige hoek in zijn bestanden. Daar stond zwart op wit: Jeroen had drie jaar geleden een tweede hypotheek op het huis afgesloten.

Zonder mij te vertellen. Dat geld was niet naar een investering, niet naar een aflossing. Het was in iets veel lawaaiers gestoken: een handelszaak in zijn eigen naam. Van zijn broer, met stilletjes geregeld via hun oom, de man die dezelfde achternaam had als de schuldenaar.

En dat was nog niet alles. Die week kreeg ik bezoek van een financieel adviseur, ingeschakeld door mijn schoonfamilie. Hij had een mooie naam: “Hij noemde zichzelf dossierbehandelaar familiezaken. ” Een lieve, oudere man met een vriendelijke stem die alle papieren op tafel legde.

“Sopie,” zei hij, “het spijt me dat ik u hiermee moet confronteren, maar uw man heeft de afgelopen jaren in het geheim acht verschillende persoonlijke leningen afgesloten. Hij heeft de volledige hypotheek aangepast en de registraties bij het BKR zijn ernstig geroyeerd. Ik heb hier een aanbod van een herstel van rente en een overname van het ziekenhuis na overleg met uw accountant. ”

“Een aandeel van wat?

” vro ik. “Ik heb geen geld. ”

Hij schoof een envelop over de tafel naar me toe. “Bewaar die goed.

Het zijn alle bankafschriften van de afgelopen tien jaar. Uw man is vandaag bij de notaris om zijn handtekening te zetten. ”

“Dus jullie wisten het al. ” Het was geen vraag.

Hij keek een moment naar zijn handen. “Iedereen behalve u, vrees ik. ”

Die avond belde ik Marit. Ze nam op alsof er niets aan de hand was, alsof ik haar over schoolhoofden van de kinderen belde in plaats van over haar man.

“Je moet niet bij elke mug een olifant maken,” zei ze. “Marit. Je man is een oplichter van het wereldfront of een leugenaar, maar in beide gevallen zit ik niet bij de pakken te wachten. ”

Haar stem verkilde.

“Je bent gewoon jaloers op wat wij hebben. Jij met je verwaarloosde huis, je halve baan, je zoon die niet eens in toom gehouden kan worden. ”

“Mijn zoon is het betere kind dat jullie familie ooit heeft voortgebracht. ”

“Durf je dat nog te zeggen, stelletje onverlaten?

” zei ze, en ze gooide de hoorn erop. Eigenlijk denk ik dat ze ons beide in de wacht zette: onze familie in de wacht. En daar zat ik dan, in mijn eigen huis. Met mijn zoon die de trap af kwam in zijn pietenpyjama, omdat hij dacht dat het tijd was voor het avondeten, terwijl het al achten was.

“Ik heb bezoek, schat. ”

Hij keek haar aan met zijn grote ogen. “Kom je snel slapen? ”

“Eh, heel snel.

Mama moet een paar briefjes ondertekenen. ”

Het waren meer dan een paar briefjes. Maar nadat ik de advocaat had gesproken die ik kende van de sociale dienst, een vriendin van de sportclub, en nadat ik het strategiedossier had, viel er een enorme last van me af. Bleek maar weer dat je mensen niet allemaal zelf hoeft te redden.

Er is een moment waarop je kiest dat je eigen gezin het eerst komt. Drie weken later. Het huis was leeg. Nou ja, fou, de muren stonden er nog.

En de gordijnen waren weg. Overal stonden dozen te wachten. Mees rende door de lege woonkamer en maakte galmgeluiden. “Mam, ik hoor alles!

”

“Ja, schat. ”

“De buren hebben een hond! ”

“Ja. ”

“Kunnen wij ook een hond?

”

“Nee. ”

“Weet je het zeker? Ik kan ‘m wel zelfstraat opvoeden. ”

Ik glimlachte en zwaaide hem achterna, omdat hij weer paardje rende.

De verhuizers hadden net de banken ingeladen. Er zat nog maar één kast in de gang, en op die kast stond een doos met foto’s van de mensen die ik nu niet meer onder ogen zou zien. Mijn moeder had nog gebeld dat ze het vervelend vond dat ik zo’n gevaar was voor de familiebanden. Ineens viel alles stil.

Ze was de deur van de woonkamer ingelopen alsof ze hier altijd al zat. Marit. Ze droeg een perfect drukpakje en keken naar de kale muren alsof ze in een slagerij naar een stuk vlees keek dat ze wilde afkeuren. “Zo,” zei ze.

“Even je troep gesloopt. ”

Ik bleef kalm. “De inhoud was schoon, dat kan ik van jouw man niet zeggen. ”

Ze liep naar het raam, draaide zich om.

“Ik heb gehoord dat je je hypotheek niet hebt kunnen redden. ”

“Ja. Dat was onderdeel van het plan. ”

“Denk je dat je stoer staat?

Met je zoon in een huurhok? ”

“In ieder geval ben ik verlost van jullie,” zei ik. Ze snoof. “Weet je, het grappige van het hele verhaal is: je was altijd al de buitenbeentje, Sopie.

Denk je dat we jou ooit als familie hebben geaccepteerd? Een laat verwekt kind, in een gezin waar jij nooit bij wilde horen? Wij hebben je overgehouden. Jij hebt nooit het fatsoen om het te erkennen.

”

Ik keek haar aan. “Marit, ik heb de afgelopen tien jaar drie dingen van jou overgenomen. Jouw schulden, jouw deal over de auto en de lening van oom. Toen jij na je bevalling met een burnout zat en niet kon betalen, heb ik dat in mijn eentje geregeld.

Ik heb jouw zoon opgehaald op school toen jij te dronken was om te rijden. En nog een keer, voor zijn verjaardag, heb ik jouw cadeaus voor je moeder gekocht en jij deed alsof het van jou waren. ”

Ze bloosde tegen de vensterbank. “Dat was niet hetzelfde.

”

“Jawel. Het was alleen maar anders. Jij bedankt me nooit maar jij kwam altijd net komen halen wat er in tronen stond. ”

“Ik weet niet waar je het over hebt.

”

Ik liep naar de doos op de kast en haalde er een gele map uit: onze uitdraaien van de afgelopen drie jaar. Ik legde ze op tafel, naast een foto van Mees op de fiets. “Dit is een kopie van de bankafschriften waar Jeroen je salaris al drie jaar naartoe laat sturen. Het is door mij gekopieerd en juridisch opgemaakt.

Hier tip je in dat hij je kunt tussenkomen bij een wanprestatie, en weet je, Marit? Ik zou het allemaal nog niet aan papa en mama vertellen. Als ik dat doe, ben jij ook je vaders erfenis kwijt, begrepen? ”

Even was het stil.

Marit wilde iets zeggen, maar er kwam geen woord uit. Toen pakte ze haar elegant gevlochten automatische tas en liep ze de deur uit, zonder ook maar één blik op mijn zoon of de kale muren. Zelfs de trapleuning niet. De deur viel zacht achter haar dicht.

Er ging een zucht van opluchting door me heen, maar ook iets anders. Iets wat ik niet direct wilde benoemen bij rouw. Vond ik het erg? Deels wel.

Dit waren de banden waarmee ik was opgevoed: met gewoontes, loyaliteit en schuld. Zelfs mijn moeder had, diezelfde week na de bekendmaking, nog gebeld: “Je weet dat ik altijd van je gehouden heb maar je moet niet vergeten dat Jeroen jou vertrouwen heeft gegeven en dat je familie jouw vlees en plichtsbesef nooit heeft gevraagd. ”

“Mam, ik heb genoeg. ”

“Je hebt je altijd voor laten doen.

Je kunt helemaal niet zonder je man. ”

Dat was het moment waarop ik had opgehangen. Nu stond ik in mijn lege huis, zoog mijn adem op, en dacht aan die doordeweekse middagen waarop ik in het ziekenhuis achter de balie stond, terwijl niemand zich afvroeg of ik wel van vrije tijd ging genieten. Ik keek naar de trap, waar Mees net weer van de overloop rende en vroeg of hij een boterham met pindakaas mocht.

“Ja, schat, dat gaan we doen. Heel even wachten. ”

“Zijn wij de baas over alles? ”

Ik knielde voor hem neer en deed zijn jas zachter dicht.

“Niemand is de baas over alles, lief. Maar over onszelf. ”

Daar ging hij op kauwen. “En dat is goed, toch?

”

“Ja, dat is goed. Dat is alles. ”

Ik stond op en ging een boterham smeren in de lege keuken, waar nog één doos stond met pannen, netjes gesorteerd, klaar voor een nieuw leven op een nieuw adres. De week daarop tekende ik de stukken van de advocaat, die ervoor zorgde dat Jeroen verantwoordelijk bleef voor de schulden die ik nooit had aangegaan.

We zouden het huis verkopen aan een stel met jonge kinderen. Voor het eerst in jaren paste ik mijn eigen begroting aan: geen geld meer naar mijn ouders, geen financiële steun meer aan mijn zus, geen stille leningen meer die vriendelijk werden doorgeschoven. En mijn salaris ging op de eerste dag van de maand rechtstreeks naar mijn eigen rekening. Het duurde even voordat ik de smaak te pakken had.

Op zondagmiddag zaten we bij de bakker aan de hoofdstraat, Mees dronk een ijskopje en ik zat met een halfvolle koekje in mijn vingers naar de zondagse wandelaars te kijken. “Pap in mijn oren,” zei hij ineens. “Hmp? ”

“Hij heeft net nog gebeld, toen jij een broodje ging halen.

”

Ik zette mijn kopje neer. “Wie? ”

“Papa. Hij vroeg waar we woonden.

”

Ik bleef stil. “Ik zei: bij ons thuis. Toen moest papa huilen en zei dat hij heel erg zijn best moest doen. ”

Dat doet hij nooit, dacht ik.

Maar als ik kijk naar Mees, die met een schrijfstift van zijn melk het ijs van zijn neus af likt, besef ik dat dit het moment was om te stoppen met het invullen wat mannen zoals hij verdienden. “Elk mens heeft het recht om te huilen, schat. ”

Hij keek me aan. “Mama?

Ga je vaak huilen? ”

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Toen streek ik hem over zijn haar. “Ja.

Maar dat doe ik niet meer omdat ik verdrietig ben. ”

“Waarom dan? ”

“Omdat ik gedaan heb wat ik wilde,” zei ik. Hij vond dat goed.

“Kom, dan gaan we sparen,” zei hij, en klemde zich aan mijn hand. We liepen samen over de winkelstraat. De zon stond laag boven de kerktoren en ik voelde voor het eerst in twintig jaar hoe het was om met beide voeten op de grond te staan. Ik heb mijn vaders achternaam niet meer.

Ik ga af en toe nog wel bij mijn moeder langs, maar nooit te lang, en ik vraag nooit om geld. Ze heeft haar kaarten in een doos op zolder bewaard, maar het gif is er vanaf. Soms vraag ik me af of ze ooit doorheeft dat ze geen kleindochters mist maar het recht erop. Onlangs kreeg ik een brief van haar.

Ze had hem strakjes het huis van tante Nette op laten halen en wilde graag weten of ik met kerst langs wilde komen, alsof ik een loste dochter van ver was. Ik las de brief twee keer. Toen schudde ik mijn hoofd en gooide hem in de papiercontainer. Nee.

De familieboekhouding is gesloten. De balans is opgemaakt. En voor het eerst in mijn hele leven staat er een positief saldo aan mijn kant. Het gaat niet over geld, natuur.

Het ging nooit over geld. Het ging over wat er geld waard was, en wie er op mocht draaien voor de rekening. Aan het einde van de straat ligt een kringloopwinkel. Vorige week stond ik daar met Mees toen ik het zag: een dienblad met twee grote theekoppen, beschaduwd in het groen.

Er zat een mooie blauwe bloem op en er en was een briefje met de hand geschreven: “Voor wie achterblijft. ” Ik kocht het voor vijftig cent en zette het op ons nieuwe aanrecht. Om de leegte te vullen met iets wat van mij was. Mees vroeg of het een erfstuk was.

“Ja,” zei ik. En dat is het. De bel van de deur ging die avond pas om acht uur. Ik deed open.

Mijn vader stond voor de deur, in de motregen. De auto stond op de oprit, de motor draaide. “Ik hoorde van je moeder dat je het huis goed hebt geregeld,” zei hij, zonder te groeten. “Ik heb geregeld wat ik kon.

”

Hij keek langs me heen naar de kale muren, zoals hij naar motoren keek: keurde de constructie. “Je hebt een doornige weg bewandeld, Sopie. ”

“Ik heb gedaan wat goed was. ”

Hij knikte langzaam.

Toen diepte hij iets op uit zijn binnenzak: een handvol bankbiljetten. “Hier,” zei hij. “Voor Mees. Voor zijn hond.

Ik hoorde dat hij er een wou. ”

Ik keek naar het geld en deed geen stap vooruit. “Papa. Ik kom je niet tekort.

”

Even verscheen er iets in zijn ogen, iets wat leek op de man die vroeger mijn bandje oppompte. Toen stak hij het geld terug in zijn zak. “Ik wou dat je je anders had opgesteld,” zei hij. “Maar je lijkt op je moeder.

Eerst zweten, dan denken. ”

“Je bedoelt eerst overleven, dan vertrekken. ”

Er viel een stilte, gevuld door de warme auto aan de rand van de straat. Hij knikte nog een keer, stapte in en reed weg.

Geen knuffel. Geen tranen. Maar hij kwam wel. De volgende ochtend hoorde ik het fluiten in de keuken.

Mees stond op een krukje zijn bord te pakken. “Mam, was jij van de week stout? ”

“Ik had moeten doen alsof ik gek was, maar nee. Ik was stout.

”

Hij knikte, heel serieus. “Dat dacht ik al. Maar stout zijn is best fijn, he? ”

Ik lachte.

De balans is opgemaakt. En het saldo is van mij.