Die zomer na mijn eindexamen vertelde ik op een feestje aan Nico dat ik al heel lang iets voor hem voelde. Mijn handen trilden en mijn hart bonsde in mijn keel terwijl ik de woorden eruit perste, en ik vroeg of hij misschien hetzelfde voor mij zou kunnen voelen. Hij keek me aan met die blik die ik nooit eerder op zijn gezicht had gezien, een mengeling van schrik en ongeloof, en toen begon hij te lachen. Niet zachtjes of verlegen, maar hard en schamper, en hij draaide zich om naar zijn vrienden alsof dit het grappigste was dat hij in tijden had gehoord.

Een van hen lag dubbel van het lachen, zo hard dat hij zichzelf nauwelijks meer kon staan houden, en ik stond daar maar, met mijn ziel onder mijn arm, terwijl de grond onder mijn voeten wegsloeg. Binnen een paar dagen was het hele verhaal door onze vriendengroep bekend, en daarna ging het als een lopend vuurtje door de hele school. Rocco was degene die me vertelde wat er daarna was gebeurd. Hij had Nico nooit echt gemogen, dat had ik altijd geweten, maar pas toen begreep ik waarom.
Nico was namelijk overgeplaatst nadat hij op zijn eerste school was gezakt en ook nog eens was afgewezen voor zijn tweede keuze. Dat was iets wat hij nooit hardop had gezegd, maar Rocco vertelde het me alsof ik het verdiende om te weten. En toen pas viel alles op zijn plek. Die avond op het feestje, met al die giechelende toeschouwers en Nico die deed alsof dit allemaal gewoon een dom grapje was, had hij me niet alleen afgewezen.
Hij had me gebruikt als een opstapje, een manier om zichzelf groot te maken ten koste van iemand die hem anders nooit zou hebben gegeven wat hij wilde. Ik was nergens, niet goed genoeg, niet bijzonder genoeg om serieus genomen te worden. En het aller pijnlijkste was dat hij me daarna gewoon weer passeerde op de gang, deed alsof ik lucht was, en mij tegelijkertijd het gevoel gaf dat ik iets verkeerd had gedaan. Die zomer verhuisde ik naar de stad voor mijn studie, blij dat ik weg was van alles wat me aan hem deed denken.
Ik begon opnieuw, op een plek waar niemand wist wie ik was of wat er was gebeurd. Ik had mezelf voorgenomen om mijn hoofd naar beneden te houden en me op mijn studie te richten, maar het universiteitsleven bleek al snel groter en vriendelijker dan ik had durven hopen. Ik leerde nieuwe mensen kennen, ging op kamers bij een gezellige huisgenoot, en langzaam maar zeker begon ik me weer op mijn gemak te voelen in mijn eigen vel. Ik was niet langer dat meisje dat op feestjes stond te wachten tot iemand haar zag staan.
Ik werd iemand die zelf wist wat ze waard was. En toen, op een druilerige dinsdagmiddag in het studentencentrum, hoorde ik ineens mijn naam. Ik draaide me om en daar stond hij, een kop groter dan op de middelbare school, met een onzekere glimlach die hij vroeger nooit had gehad. Hij zei dat het bizar was om mij hier na al die tijd tegen te komen.
Ik glimlachte beleefd en hield het gesprek kort, zei dat het inderdaad toevallig was en dat ik nog een afspraak had. Ik liep weg zonder om te kijken, maar ik voelde zijn blik op mijn rug branden. Die ene toevallige ontmoeting was blijkbaar het startsein voor iets. De daaropvolgende maanden leek Nico overal op te duiken waar ik kwam.
Bij de campusbibliotheek, bij de koffiebar waar ik elke ochtend mijn cappuccino haalde, zelfs op bijeenkomsten van de studentenvereniging waarvan ik lid was geworden. Hij deed altijd alsof het toeval was, zei dat hij niet meer wist dat ik dáár studeerde, maar ik wist wel beter. Ik hield mijn antwoorden kort en beleefd, vertelde dat mijn studie psychologie goed ging, dat ik aan een onderzoeksproject werkte, dat het allemaal prima was. Ik vertelde hem niets over mijn leven, niets over mijn vrienden, niets over mijn toekomstplannen.
Hij leek elke keer weer teleurgesteld dat ik hem geen opening gaf, maar ik had geen zin om hem tegemoet te komen. Hij had zijn kans gehad, en die had hij met beide handen laten schieten. Op een avond, toen ik met wat studiegenoten zat te eten in de mensa, schoof hij onuitgenodigd aan. Hij deed alsof het normaal was, alsof we gewoon oude vrienden waren die elkaar weer hadden gevonden.
Hij vroeg me naar mijn cursussen, naar mijn plannen voor de zomer, naar alles. De anderen keken afwisselend naar mij en naar hem, en ik voelde hoe de sfeer aan tafel veranderde. Op een gegeven moment stond ik op, zei dat ik nog moest studeren en liep weg. Ik had zijn nummer al dagen niet opgenomen en ik was niet van plan daarmee te beginnen.
De sms’jes kwamen de volgende dag al. Weer diezelfde nummers, maar nu agressiever, alsof hij er recht op had dat ik hem antwoordde. Alsof mijn stilzwijgen een belediging was die hij niet verdiende. Ik negeerde ze, maar ze bleven komen, en ik merkte dat ik gespannen raakte elke keer dat mijn telefoon trilde.
Mijn vriend Johnny ving me een keer op een feestje op en vertelde me dat Nico de laatste tijd eindeloos over mij praatte. Hij zei dat Nico toegaf dat hij zich als een eikel had gedragen vroeger, en dat het hem speet dat hij had meegedaan aan zoiets gemeens. Johnny zei dat het diep zat en dat Nico niet begreep waarom ik hem niet gewoon een echte kans gaf, alsof al die jaren van stilte en vertekende herinneringen zomaar uitgewist konden worden. Rocco was een van de weinige mensen aan wie ik het verhaal vertelde.
We waren rond die tijd al een tijdje samen, al was het officieel nog niet zo serieus. Hij was aardig, attent, en hij luisterde echt. Hij vroeg of ik nog iets voor Nico voelde, en ik schudde mijn hoofd. Ik vertelde hem dat ik maanden nodig had gehad om te herstellen van wat er was gebeurd, maar dat ik nu wist dat het nooit echt om Nico was gegaan, maar om het feit dat ik mezelf kwijtraakte in de mening van anderen.
Rocco knikte, zei dat hij zich geen zorgen maakte, want hij kon zien dat ik niet in Nico geïnteresseerd was. Op dat moment besefte ik hoe bijzonder hij was, en ik glimlachte terug. Toen mijn huisgenoot Leilani me er op een avond naar vroeg, vertelde ik haar het hele verhaal. Ik vertelde haar over de afwijzing, over het feestje, over de manier waarop hij me had behandeld en de manier waarop ik me daardoor had gevoeld.
Ze was geschokt, niet zozeer door het verhaal zelf maar door het feit dat ik er zo lang mee rond had gelopen. Ik zei tegen haar dat werken met hem me genoeg had opgeleverd om te weten wie ik was en wat ik waard was. Ze glimlachte, zei dat ze trots op me was dat ik eerlijk was, dat ik hem niet liet geloven dat er iets was terwijl dat niet zo was. In het voorjaar zag ik Nico af en toe nog weleens rondlopen, meestal met een meisje aan zijn zij.
Hij was kalmer, minder arrogant, en soms zag ik hem in de verte naar me kijken met een blik die ik niet thuis kon brengen. Een keer passeerde hij me op de campus en hield hij me aan. Hij zei dat hij wist dat hij het verpest had, dat hij zich schaamde voor wie hij was geweest, en dat hij veranderd was. Hij vroeg of we misschien konden afspreken, gewoon een keer koffie, gewoon om te praten.
Ik dacht erover na, heel even maar, en toen schudde ik mijn hoofd. Ik zei dat ik hem geen kans meer kon geven, dat het niet persoonlijk was, maar dat ik gewoon verder was gegaan met mijn leven en daar was ik gelukkig mee. Hij zag er teleurgesteld uit, maar ook alsof hij het begreep. Hij knikte langzaam, mompelde iets over dat hij hoopte dat het goed met me ging, en liep weg.
Eind april, op een zaterdagavond, zat ik met een groep vrienden in mijn huiskamer. Iemand vertelde een verhaal over hoe ik Nico een keer had afgewezen, en de rest van de groep viel stil. Ze keken me aan met een mengeling van respect en nieuwsgierigheid. Ik haalde mijn schouders op en zei dat ik gewoon eerlijk was geweest en dat hem aan het lijntje houden zoiets niet was.
Iemand veranderde van onderwerp, maar ik voelde me goed. Het was vreemd om te beseffen dat die mensen mij alleen maar kenden van de nieuwe ik, de ik die niet huilde om een jongen die het niet verdiende. Dezelfde week nog vond ik toevallig een oude doos met spullen uit de middelbare school. Er zaten een paar foto’s tussen, waarvan eentje waarop ik naast Nico stond met een onzekere grijns.
Ik keek ernaar en probeerde de juiste woorden te vinden om de gevoelens van dat meisje te omschrijven, maar ik kon het niet meer. Er was geen boosheid, geen jaloezie, geen spijt. Er was hooguit een soort van neutrale herkenning, alsof ik naar een vreemde keek. Ik stopte de foto terug in de doos en zette hem op zolder.
Ik hoefde het niet meer. Met Rocco ging het intussen steeds beter. Het was anders dan met Nico, zoveel makkelijker. Rocco lachte om mijn grappen, vroeg naar mijn mening en nam de tijd om me te leren kennen.
Hij maakte me nooit belachelijk en hoefde me nooit op een voetstuk te zetten. We zaten vaak op de bank, met zijn arm om me heen, en praatten urenlang over alles en niets. Ik merkte dat ik om hem kon lachen zonder mezelf in te houden, en dat deed ik ook. Ik was niet bang dat hij iemand tegen zou komen die beter was, want hij keek me altijd aan alsof ik de enige kamer in de wereld was.
Op een avond, in de parkeerplaats achter de campus, vroeg hij of ik nog invloed had in het verkiezingsdebat dat we de week daarna moesten voeren. Ik keek hem aan, zag de zenuwen in zijn ogen, maar ook de hoop. Ik grinnikte en zei dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Later, toen ik opstond om voor hem te komen staan, realiseerde ik me dat ik nog nooit zo zeker was geweest van wie ik wilde zijn.
Dit was geen affaire met uitstel, geen gebroken belofte die op mij wachtte. Dit was iets wat van mij was, en ik liet het niet meer gaan. De ceremonie was in het grote auditorium, en ik had mijn speech weken van tevoren geschreven. Ik keek naar de gezichten van de mensen die voor me zaten en ik dacht aan alles wat ik had meegemaakt om daar te staan.
Na afloop kwam ze naar me toe, Fay, die ik al jaren niet had gezien. Ze glimlachte en gaf me een knuffel, zei dat ze troTS op me was. We praatten over de middelbare school, over de roddels en de geheimen, en ze gaf toe dat ze het haar niet makkelijk had gemaakt. Ik vertelde haar dat ik weigerde me te schamen voor wie ik was geworden, en dat ik blij was dat ze me daarvoor wilde.
Ze knikte, zei dat ik het beste uit mezelf had gehaald en het beste met mijn verleden had gedaan. Even later zag ik Rocco tussen de menigte staan. Hij zwaaide naar me en stak zijn duim op, en alles wat ik voelde was een gevoel van thuiskomen. We liepen samen terug naar ons appartement, waar ik een uur later mijn telefoon pakte en een oude foto van mezelf naar hem stuurde, samen met een bericht dat ik blij was dat we elkaar hadden gevonden.
Hij antwoordde bijna onmiddellijk, zei dat hij me ook blij was tegengekomen en dat hij me iets belangrijks te vragen had. Mijn hart sloeg over, maar niet van angst. Ik sloeg mijn benen over elkaar en wachtte. Even later hoorde ik een lach door de gang terwijl Rocco de deur openmaakte.
In zijn hand had hij een bos bloemen en een envelop. Hij ging op de rand van de bank zitten, keek me recht aan en zei dat hij wist dat het vroeg was, maar dat hij geen twijfels had over wat hij voelde. Ik opende de envelop en zag dat het een vliegticket was, samen met een briefje waarop hij om een avond vol rondjes en ijs had gevraagd als een feest voor de zomer die voor ons lag. Ik keek hem aan en zei dat ik ja zei, en voor het eerst in mijn leven maakte het me niet uit wat anderen van me dachten.
Die zomer bleef ik in de stad werken terwijl Rocco aan zijn scriptie zat, en samen keken we ernaar uit om een toekomst op te bouwen. We gingen op dates naar places die we nooit waren geweest, we ontmoetten elkaars families en we lachten om de raarste verhalen die we elkaar vertelden. En hoewel ik nog weleens aan Nico dacht, was het niet meer dan een flauw herinnering aan een tijd die voorbij was. Hij was een hoofdstuk uit mijn verleden, geen deel van mijn heden.
Aan het einde van de zomer, vlak voordat het nieuwe studiejaar begon, reed ik samen met Rocco naar onze oude middelbare school. We wandelden over het schoolplein en ik wees naar de plek waar ik vroeger altijd stond te wachten op mijn fiets. Hij hield mijn hand vast en vroeg of ik ooit nog terugdacht aan hoe alles anders had kunnen lopen. Ik schudde mijn hoofd en keek hem aan.
Ik zei dat ik geen spijt had van hoe het was gegaan, want anders hadden we elkaar misschien nooit gevonden. Hij gaf me een kus op mijn wang en zei dat hij blij was dat ik anders was gelopen. Zelfs toen we later vertrokken en de school achter ons lieten, voelde ik een kalmte die ik nooit eerder had gekend. Ik was klaar om verder te gaan, voor altijd, met de man die me dat gevoel van rust gaf.
En dat, besefte ik, was het enige verhaal dat er nog toe deed.